counter easy hit Luepp - A Digital Storyteller's Notepad: Progress? What Progress?

zondag, juni 11, 2006

Progress? What Progress?

WAARSCHUWING. DIT IS EEN LANG VERHAAL.


"Die mechanisatie van alles en le délire de la vitesse vind ik het ergste"
(Ten Kate in 1928 in een artikel in de NRC volgens Stichting Volkenkundige Collectie Nederland)


Nederland had natuurlijk altijd al haar eigen "National Geographic Society". Het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG) heeft sinds haar oprichting in 1873 tot 1960 meer dan zestig expedities uitgezonden "Tot vermeerdering der kennis van de Aardbol". Een van die onderzoeksreizen was gericht op "de indianen" die het zuidwesten van de Verenigde Staten bevolkten. De expeditie werd geleid door de 24-jarige Herman F.C. ten Kate. De tocht nam elf maanden van 1882 en 1883 in beslag. De hele expeditie zou 9.000 gulden kosten (KNAG Inleiding). Een gedeelte van de materiële opbrengst is te bezichtigen in de afdeling "Noord-Amerika" van het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden.


We hebben de vaste tentoonstelling vorig jaar bezocht. Op zoek naar de collectie van ten Kate. Overal ter wereld worden musea moreel gedwongen de veelal door roof en zwendel bijeen vergaarde verzamelingen van objecten te retourneren aan de nazaten van de gedupeerden - moeilijke zaken inderdaad.

De drijvende kracht achter de expeditie was evenwel de expeditieleider zelf. Herman ten Kate Junior wilde geen kunstschilder worden, zoals zijn beroemde vader, maar een wetenschappelijk reiziger. Hij wilde niet-westerse culturen bestuderen voor ze zouden zijn verdwenen. En eigenlijk ging het hem vooral om de Noord-Amerikaanse Indianen. Als kind had hij avonturenverhalen over het wilde westen verslonden zoals "De roovers van de Prairieën", "De pelsjagers van de Arkansas" en andere zulke "Arendsoog-avant-la-lettre" romans van Gustave Aimard (Hovens 1989, 17).


Zie voor de avonturenromans van Gustave Aimard bijvoorbeeld(deze website.

Zijn belangstelling voor verre volkeren zou sindsdien steeds worden aangemoedigd door allerlei bereisde en geleerde vrienden van zijn vader. Mensen als de cartograaf en wereldreiziger Charles William Meredith van de Velde en de Leidse hoogleraar taal-, land- en volkenkunde van Nederlands-Indië Pieter Johannes Veth. Het drietal Herman Junior, Senior en Professor Veth bedacht een opleidingsstrategie die Junior zowel de gelegenheid zou geven wetenschappelijk reiziger te worden als de mogelijkheid zou overlaten om later nog iets "nuttigs" te gaan doen, zoals bestuurder worden of arts. In het kader van een vrije studierichting - zien jullie wel hoe serieus die toch kunnen zijn - bekwaamde de jonge Herman zich in vakken als fysische geografie, Oosterse en Indische talen en Volkenkunde. De studie medicijnen was niet alleen bedoeld als "backup". Die zou altijd van pas komen niet alleen omdat de vroege anthropologen schedeltjes pleegden te meten maar ook omdat Junior met zijn geneeskundige vaardigheden gemakkelijker vrienden zou kunnen maken.


De jonge ten Kate tijdens zijn studiejaren (Foto uit het boek van Hovens)

Natuurlijk zou hij vrienden maken. Het lot van de getergde inboorlingen kon hem teveel schelen. En die opmerkelijke betrokkenheid zat er al vroeg in. "Van zijn voortdurende belangstelling voor de Indianen gaf hij blijk door in 1878 'Amerikaansche toestanden' te publiceren (in Omnibus 10 (1878) 366-369). De twintigjarige laakte het beleid van de Amerikaanse regering jegens de Nez Percés en pleitte voor een menswaardiger behandeling van de Indianen bij de verovering van het Westen. Door de bestudering van etnografische en andere literatuur over de autochtone bevolking van het Amerikaanse continent tilde hij zijn jeugdig enthousiasme voor de roodhuiden naar een wetenschappelijk niveau." (Biografisch woordenboek van Nederland). Dit was de tijd van de grootscheepse schendingen van internationale verdragen door de Verenigde Staten - honderden volkeren die meestal zelf staatrechtelijk waren erkend door de defrauderende partij zijn, in de geest van de brutale machtspolitiek, eenvoudigweg vermoord, verjaagd of slechts beroofd van hun land, hun identiteit, hun zelfbeschikking en hun lotsbestemming. (Het is inderdaad eigenlijk een gotspe dat de VS zonder meer konden worden toegelaten tot de Volkenbond en de VN zonder eerst te zijn bewogen tot corrigerende of tenminste compenserende maatregelen - maar in de geschiedenis is nu eenmaal weinig plaats voor rechtvaardigheid en billijkheid.) Ten Kate Junior was dus een twintiger-wereldverbeteraar van het soort dat we allemaal wel kennen.

Als dat waar is, dan zat het onrecht de jonge ten Kate misschien toch wel hoger dan de gemiddelde moraalrebel. Herman ten Kate wilde ook echt een verschil uitmaken. Hij zal zich hebben laten inspireren door "zijn" professor, de vriend van de familie, P.J. Veth. "Behalve op het terrein van de wetenschap was Veth ook actief in het openbaar leven. Hij had uitgesproken liberale opvattingen, in het bijzonder over koloniaal beleid. Al vroeg keerde hij zich tegen autocratisch koloniaal bestuur en economische uitbuiting van Nederlands-Indië. Naar zijn mening zou het koloniaal bestuur zich moeten richten op de ontwikkeling van overzeese gebiedsdelen ten behoeve van de inlandse bevolking zelf. Hij benadrukte herhaaldelijk de ereschuld die Nederland op haar schouders had geladen door nalatig en gewinzichtig beleid" (Hoven 21). Let hierbij even op de tijd: dit was nog pas de laat-negentiende eeuw. Deze mensen stonden een betere wereld voor en ze waren bereid er hard aan te werken.



Gewapend met aanbevelingsbrieven sprokkelde Herman F.C. ten Kate junior fondsen voor zijn expeditie bij elkaar. Die kwamen van de KNAG, zoals gezegd, maar ook van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Hollandse Maatschappij van Wetenschappen. Het was uiteindelijk zijn vader die met de grootste bijdrage kwam. Hij gaf zijn jonge onderzoeker de resterende 7.000 gulden.

Van deze reis en de soortgelijke onderzoeksreizen die hij later zou maken is een belangrijk documentair corpus overgebleven (maar zie eindnoot). Dagboeken. Artikelen. Voorwerpen. Het was natuurlijk ook zijn bedoeling. Hij zou volkeren die onder de druk van de vooruitgang dreigden te verdwijnen documenteren, voor het te laat was. De opbrengst van de eerste reis was in ieder geval al geweldig spectaculair. De tastbare opbrengst bestond uit een schat aan voorwerpen die Ten Kate tegen betaling heeft verkregen of gratis, uit respect en in vriendschap, van de inboorlingen zelf (ik roep de lezer overigens op even geen aanstoot te nemen aan het woord "inboorlingen" want dat betekent immers gewoon "zij die daar geboren zijn" hetgeen heel dicht in de buurt van de termen "Native Americans" of "First Peoples" die nu bij voorkeur worden gebruikt door de zogenoemde "indianen" zelf). De collectie is op zich dus al bijzonder omdat ze niet door roof en misleiding tot stand is gekomen. Overigens geldt dit niet voor de schedelverzamelingen die ten Kate ook heeft aangelegd. De bestudering van menselijke lichamelijkheden was natuurlijk een kerntaak van de fysische anthropoloog. Hij heeft zeker een paar keer schedels uit Apache en Zuni graven geroofd en is op een gelegenheid daar bijna op betrapt door een gewapende krijger (Hovens, 81).



De collectie van voorwerpen in het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden is in ieder bijzonder in zowel de wijze, dus, waarop het is verkregen alsook de samenstelling. Zoals de KNAG het stelt: "Ten Kate was een uitzonderlijk antropoloog, met een grote sympathie voor de indiaanse cultuur. Hij kon daardoor gegevens verzamelen die voor andere, minder scrupuleuze onderzoekers, verborgen bleven. Daarnaast had hij ook een goed oog voor etnografica, voor interessante voorwerpen van de indianen. De door hem verzamelde collectie kwam voor het overgrote deel in het Rijksmuseum voor Volkenkunde terecht. Het is een van de vroegste wetenschappelijk verantwoorde verzameldingen in Europa. Daarnaast is zij van belang vanwege de gestructureerde wijze van verzamelen van voorwerpen voornamelijk afkomstig van niet-sedentaire stammen uit het zuidwesten van Amerika."(KNAG, Kaarten en voorwerpen). Ik kan iedereen aanbevelen daar een bezoek aan te brengen.

Ten Kate had zakgeld nodig niet alleen om zijn expeditie samen te stellen en uit te rusten maar ook om zijn collectie aan te leggen. De mensen die ten Kate kwam bestuderen waren inmiddels allang gemonetariseerd geraakt. "Het was te Todos Santos dat ik het tweede exemplaar van een echten Indiaan van het Schiereilend te zien kreeg. Hij was algemeen bekend onder den naam van ‘Concha’ (de schelp) en ging door voor een volbloed Guaycuru. Niet dan met de grootste moeite en vooral door de hulp van onze gids Don Juan slaagde ik er in hem te photographeeren en voor een peso (ongev. ƒ 2,50) een kleine lok van zijn haar machtig te worden." (KNAG Dagboekfragmenten).

Het kostte ten Kate uiteraard veel moeite om een mooie wetenschappelijke collectie aan te leggen. Niet alle problemen konden worden voorzien. Zo moest hij het fotograferen uiteindelijk helemaal opgeven. "Het was te Guaymas dat ik er vanaf zag zelf het phot[o]grapheren voort te zetten. Een aantal mijner cliches toch waren in zoodanigen toestand, dat er aan het afdrukken van goede positieven niet te denken viel. Velen waren beschadigd door het transport op muilezels over de ruwe paden, en vol kleine gaatjes door het overal tusschendringende fijne stof, van anderen liet de laag gelatine los bij het ontwikkelen, waarschijnlijk ten gevolge van de grote hitte." (KNAG Dagboekfragmenten).

Zijn beschrijvingen van gebruiken als rituele dansen zijn nu achteraf kennelijk prijzenswaardige stalen van anthropologisch pionierwerk. Maar hij schreef niet in het Engels, Frans of Duits. Dus alleen Nederlanders konden hem horen. En die interesseren zich doorgaans niet echt voor de wereld (of moet ik zeggen "niet voor de echte wereld").



Interessanter dan zijn bijdrage voor de anthropologie is voor mij toch zijn opmerkelijke engagement met de ethnische doodstrijd van de Noord-Amerikaanse inboorlingen. De man heeft zo hard stelling ingenomen tegen het Verenigde Statense beleid van genocide dat het bij nader inzien, voor wie het wil weten, toch echt sterk opvalt. Er was veel publieke aandacht voor de conflicten met volken als de Apachen. De inboorlingen kwamen er bekaaid van af. De sensatie van de kranten van de late negentiende eeuw loog er inderdaad niet om. Ik heb een jaar of twee geleden kopietjes gelezen van krantenartikelen over Custer's laatste uren in gevecht met de Lakota's en de Cheyennes. Nou, daar is de huidige Telegraaf niks bij. Geweldige kost, daar niet van. Maar heel eenzijdig. Heel racistisch.



Natuurlijk werd het grote verhaal steeds heel nadrukkelijk door de ogen van de Europese kolonisator bezien. De "woeste roodhuid" miste geschikte perswoordvoerders. Misschien hadden ze die ooit gehad, in de zeventiende en de achtiende eeuw bijvoorbeeld toen er tenminste nog door een enkeling met ontzag werd geluisterd naar Irokese sachems (Richter 1992, 43-47). De Vaders van de Amerikaanse Constitutie hadden inderdaad blijk gegeven van een groot respect voor de Irokese politieke cultuur. Maar in de negentiende eeuw werd er toch echt niet meer geluisterd.

Tegen die tijd leek iedereen inmiddels te vinden dat ze nu toch echt moesten verdwijnen van het wereldtoneel. De voortdurende verslechtering van de relatie tussen de Europese Amerikanen en de Amerikaanse Amerikanen resulteerde uiteindelijk in de fysieke verwijdering van de laatstgenoemden. De genocide nam diverse vormen aan. De meest opzichtige manier is natuurlijk het aanrichten van slachtpartijen. Dat gebeurde zo vaak dat je er nu nog iebel van wordt. Generaal Custer stond niet alleen in zijn aggressiviteit jegens de indianen - hij steekt in de geschiedenis slechts af als ongeveer de enige die zijn verdiende loon had gekregen. (Pas op wat je zegt, want de man wordt door de meeste Amerikaanse nog steeds beschouwd als een held.) Maar met bloed aan je handen wil je liever niet met je kindjes wandelen naar je kleine huis op de prairie. Deportatie was misschien minder confronterend en wel zo effectief. De deportatie van hele volkstammen van de Zuid-Westelijke Staten naar The Indian Territory in Oklahoma werd systematisch uitgevoerd door het leger krachtens de Removal Act van 1830. Dit werd vaak ook een "messy affair", echter, in zoverre dat niet iedereen wilde vertrekken zonder slag of stoot (de Seminoles van Florida). Het was ook een opzichtige sllordigheid dat de deportatie ondanks het presidentiele initiatief en bevel toch niet rechtsgeldig was en dat dat tot in de Supreme Court met succes zo inderdaad kon worden aangetoond (The Cherokee Nation v. The State of Georgia, 1831). President Andrew Jackson, een oude indianenvreter, negeerde de uitspraak van de Hoge Raad - hij liet de militie van de staat Georgia (zijn familieleden, vrienden en buren) gewoon haar gang gaan zodat uiteindelijk het leger wel; moest ingrijpen. Rommelig was ook het feit dat de eigenlijke gedwongen marsen over afstanden van zo'n 1000 tot 1300 kilometer duizenden mensen fataal werden en sowieso traumatisch waren voor alle betrokkenen met inbegrip van de militaire begeleiders (ik heb een paar jaar geleden ook persoonlijke getuigenissen gelezen van veteranen die ook leden aan post-traumatische stress). Tenslotte stond het ook minder fraai dat er nog weer duizenden nieuwkomers in The Indian Territory stierven aan de ziektes en de onderlinge strijd die werden veroorzaakt door de plotselinge overbevolking in deze marginale gronden van The New Frontier. (Over de "Trail of Tears" hoop ik binnenkort ook snel een stukje te schrijven - maar Feliz waarschuwt wel dat ik mijn weblog ook nog een beetje leuk moet houden, haha!) Uiteindelijk zouden de Verenigde Staten een veel effectievere manier vinden om het probleem van de Indianen te doen verdwijnen. Het gedwongen verblijf van Indiaanse kinderen in christelijke kostscholen vanaf 1887 zou verreweg de meest effectieve sluipmoordenaar in het genocide arsenaal blijken te zijn. "Kill the Indian, save the man" . De Realpolitik van deze genocide zou met deze beroemde woorden van kapitein Richard C. Pratt in 1892 een politiek correcte lading krijgen. "A great general has said that the only good Indian is a dead one, and that high sanction of his destruction has been an enormous factor in promoting Indian massacres. In a sense, I agree with the sentiment, but only in this: that all the Indian there is in the race should be dead. Kill the Indian in him, and save the man" (Capt. Richard C. Pratt on the Education of Native Americans).


Er zijn talloze van dit soort culturele Makeover foto's gemaakt op de kostscholen. Het zijn dus dezelfde jongens, voor en na hun opname.

Opvallend is natuurlijk vooral de, op zijn zachtst gezegd, niet geheel afkeurende verwijzing naar de beroemde uitspraak "The only good Indian is a dead Indian". Ik zou die grif hebben toegeschreven aan Generaal George Armstrong Custer maar ze is kennelijk van zijn collega en tijdgenoot Generaal Phil Sheridan. Het verhaal gaat als volgt: "In January of 1869, General Sheridan was in camp at Fort Cobb in Indian Territory (now Oklahoma) shortly after George Custer's fight with Black-Kettle's Cheyennes. Turtle Dove, or Toch-a-way, who was a chief of Comanches, trying to impress the General, struck himself in the breast and said "Me, Toch-a-way; me good Indian". The General smiled and answered "The only good Indians I ever saw were dead." Phillip Sheridan repeatedly denied ever making such a statement, but several eye witnesses agree that he said it. Sheridan was well known as a bigot and Indian hater, and few that knew him doubted his agreement with the statement. In any case, the statement attributed to Sheridan evolved into the more generalize and powerful proverbial form "The only good Indian is a dead Indian." and became synonymous with the Indian policy of most of the military at that time. This opinion lingered on, and another infamous, Indian fighter made the following incredible remarks at a speech in January of 1886 in New York: "I suppose I should be ashamed to say that I take the Western view of the Indian. I don't go so far as to think that the only good Indians are dead Indians, but I believe nine out of every ten are, and I shouldn't like to inquire too closely into the case of the tenth." These words were spoken by Theodore Roosevelt less than 15 years before he became President of the United States." (webartikel "everything2"). Zo. Dat leuke weetje wilde ik u zeker niet onthouden.


Frederic Remington, The Battle of War Bonnet Creek

Terwijl ten Kate dus door de Verenigde Staten reisde werden de oorlogen steeds vuiler, grimmiger en geheimzinniger. Op den duur werd alleen nog maar onderhandeld in legerkampen. Zelfs toen alle oorlogen eigenlijk al waren uitgestreden was het voor de "Native Americans" niet altijd mogelijk om de onderhandelingstafel levend te bereiken - zoals is gebleken met de Minneconjou Teton groep van Big Foot die in 1890 te Wounded Knee is afgeslacht (misschien komen we over de grimmige reactie op de Ghost Dance beweging nog wel eens te spreken).

Ten Kate stoorde zich aan de eenzijdige voorstelling van zaken in de Amerikaanse pers. Hij nam het zijn Amerikaanse vakgenoten kwalijk dat ze geen duidelijke stelling innamen tegen het schandelijke beleid van de VS. Zelf werd hij lid van de "National Indian Defense Association" en trad hij regelmatig op om indiaanse belangen te behartigen. Dan schreef hij bezwaarschriften of verzoekschriften aan diverse autoriteiten tot de president van de VS toe (Hovens 177-178).
Er was dan ook geen beginnen meer aan. Naarmate "de roodhuiden" meer werden onderdrukt, werden ze in de pers ook vaker gedemoniseerd. Ja, het liedje is oud. Toch zijn talloze voormannen steeds weer uit hun midden opgestaan om te pleiten voor een correcte of anders misschien gewoon iets betere behandeling. Er werd niet geluisterd. Later zouden prominente lieden van diverse volkeren, hoofdmannen meestal, hun laatste hoop op een gewillig oor voor hun pleit vestigen op Colonel William F. Cody, dezelfde man die tevoren aan de basis stond van de vernietiging van de voedselbasis van de prairievolkeren. Buffalo Bill ontving deze mensen en organiseerde ze in een soort nep-lobbygroep. Hij toerde uiteindelijk rond met zijn circus van Indianen Opperhoofden tot aan Parijs toe. Die arme stumpers hoopten hun zaak naar Geneve te brengen. Want ondanks alle beloften wilde de Grote vader in Washington niet luisteren.

Luisteren naar de indianen en hun pleit helpen bezorgen achtte ten Kate "zowel zijn wetenschappelijke als morele taak" (Hovens, 157). Ten Kates betrokkenheid was niet "van sentimentele of romantische aard, of zelfs schuldgevoel, maar het resultaat van zijn wetenschappelijk analyse van de oorzaken van blank-Indiaanse conflicten een verrassend cultureel relativisme gerelateerd aan algemeen humanistische beginselen" (Hovens, 157). "Het is echter niet ons plan", schreef ten Kate, "de indianen tot een soort van Utopische natuurmenschen te verheffen; zij zijn moreel niet beter maar ook niet slechter dan eenig ander ras. Ons doel is slechts te doen zien hoe de 'Christelijke' blanken met zijn 'beschaving' zich gedraagt tegenover den 'heidenschen', 'onbeschaafden' Indiaan, en hierdoor aanleiding geeft tot eindeloos oorlog voeren" (1878, geciteerd in Hovens, 157-158). Een en ander mondde uit in een waarheid als een koe. "De nieuwste geschiedenis ... leert weder de barbaarschheid van ons eigen ras, tegenover natuurgenoten, wien wij gebreken toeschrijven, die wij zelven in niet geringe mate bezitten" (1878, geciteerd in Hovens 158). Al leerde Darwin ons dat de sterkste uiteindelijk wel zou winnen, "Dat rechtvaardigt echter de schandelijke handelwijze der blanken tegenover de gekleurde rassen niet. In plaats van te trachten om de botsing tusschen hen en de beschaving minder hevig te maken en van hen te redden wat nog te redden zou zijn, bespoedigen zij zooveel mogelijk den ondergang dier rampzalige stammen" (1878, geciteerd in Hovens 158).



Ten Kate wist dat de vooruitgang niet iedereen verbetering had gebracht. En hij wist dat het zou nog erger worden. "De ‘beschaving’ die reeds heeft postgevat op enkele punten langs den stillen stroom, zal zich uitbreiden; met den spoorweg zullen er drommen komen van gelukzoekers, beginselloos en tuk op gewin, die zich zullen nederzetten op hun beste landerijen en die hun bergen zullen doorwroeten naar goud. …Er zal meer ziekte komen en kommer; de dood zal sneller rondmaaien dan voorheen; tweedracht, leugen, winzucht, bedrog zullen heersen onder dat volk, dat uit elkaar zal gaan, en zich eindelijk na verloop van tijd zal oplossen in den troebelen stroom van ‘beschaving’." (KNAG Dagboekfragmenten).

Hij wist dat totale fysieke en culturele assimilatie onvermijdelijk was. En dat betreurde hij. Ten Kate geloofde niet in de superioriteit van de Europese mens, al leken alle succesverhalen die richting in te wijzen, en juist daarom was hij, denk ik, zo bijzonder.


Zijn gevorkte snor werd zijn bijnaam

Het is spijtig dat ten Kate ondanks zijn opmerkelijke inspanningen zo weinig verschil heeft kunnen uitmaken. Zijn eigen publicaties heeft hij eigenlijk niet in de strijd kunnen gooien daar hij in het Nederlands publiceerde en delen van zijn werk pas voor het eerst in 2004 in het Engels zijn vertaald (de recente vertaling van zijn reisverslag). Alleen Nederlanders konden hem echt kennen en die hadden, zoals gezegd, weinig boodschap aan mensen als ten Kate of aan de onderwerpen die hij aandroeg. Toen ten Kate in 1931 na allerlei omzwervingen door plaatsen als Lapland, Indie, Japan, Paraguay en Napels, in de omgeving van Tunis stierf, als een oude zieke geleerde, liet hij daar een hoop boeken, ongepubliceerde manuscripten, brieven en dagboeken achter. De erfenis is verloren gegaan op geheel Hollandse wijze, als gevolg van een onvermogen van bestuurs functionarissen om zaken die niet direct van praktisch nut lijken te zijn en die niet onmiddelijk geld opleveren toch te herkennen als mogelijk waardevol (Archief Nieuw-Nederland verkocht als oud papier). "Na zijn overlijden namen de Tunesische autoriteiten contact op met de Nederlandse consul-generaal in Tunis. Toen bleek dat ten Kate niet over geldmiddelen beschikte en het ondersteuningsfonds was uitgeput werd hij begraven, waarschijnlijk in een ongemarkeerd graf, zonder dat iemand daarbij treurde. Zijn overgebleven bezittingen, vooral bestaande uit boeken, werd [sic.] door de autoriteiten verkocht om openstaande rekeningen en begrafeniskosten te betalen. De opbrengst was daarvoor echter niet eens toereikend .... Het is waarschijnlijk dat zijn papieren, manuscripten, dagboeken en dergelijke zijn weggegooid omdat ze niet te gelde konden worden gemaakt. Daaronder bevonden zich twee manuscripten in vergaande staat van voltooïng. de monografie over Berbers en een boek met biografische portretten van collega-antropologen, kunstenaars en schrijvers die ten Kate tijdens zijn leven had leren kennen en respecteren. Met dit laatste ging een voor de geschiedenis van de antropologie belangwekkend document verloren" (Hovens 229).



Het onvermogen van de Nederlandse consul-generaal om het juiste te doen ten einde zo toch weer een paar duiten uit te sparen zou ten Kate zelf een gruwel zijn geweest. Hij had een hekel aan het soort mensen dat ik met veel lange zinnen probeer te omschrijven bij gebrek aan een echt woord. Ten Kate leert me het woord in dit volgende citaat uit 1883 waarin hij de transformatie van het landschap van de Great Plains betreurde: "De utilitariër moge het toejuichen, dat de eenzame wildernis zich herschept in een 'boerenparadijs' .. ; de mensch echter, die meer het aesthetische van de zaak beziet, ... kan een gevoel van wrevel, ik mag zeggen van weerstand, niet onderdrukken" (in Hovens, 167).

De utilitarier. Wat een prachtig woord.

Hovens = Pieter Hovens, Herman F.C. Ten Kate Jr. (1858-1931) en de antropologie der Noord-Amerikaanse Indianen (Diss. Katholieke Universiteit te Nijmegen, 1989, Meppel s.d.).
Richter = Daniel K. Richter, The Ordeal of the Longhouse. The Peoples of the Iroquois League in the Era of European Colonization (Chapel Hill & London 1992).
Waldman = Carl Waldman, Molly Braun (illustrations by), Atlas of the North American Indian (1985, rev. edition 2000)

7 Comments:

Blogger MacBuccaneer said...

Ik ben er helemaal stil van.
Natuurlijk wist ik al veel van de dingen die je geschreven hebt. Maar het is triest om te merken dat de goedbedoelde inspanningen van een 'mensch' zo weing hebben kunnen uithalen.
Triest is ook de wijze waarop er met zijn nalatenschap is omgegaan.
Triest dat zo'n boeiende persoon en zijn indrukwekkende werk in de vergetelheid is geraakt.
Fijn dat hij hier bij jou even in het 'spotlight' wordt gezet.

7:52 p.m.  
Anonymous S. said...

Wauw, dat is een lang verhaal!

7:53 p.m.  
Blogger Sien said...

Wat een ongelooflijk boeiend poststuk breng je ons hier, gisteravond was ik er te moe voor maar vanochtend heb m'n krantje opzij gelegd en mijn koffie is nu koud !
Het is toch ongelooglijk hoe gefrustreerd je je voelt als je zoiets leest want deze geschiedenis is heel dichtbij en men staat er niet stil bij hoe vandaag de lidtekens van de geblesseerden (indianen) nog te zien zijn.
Nogmaals, ik bewonder je om zulke poststukken te brengen, ik ben vroeger (en zeg vroeger want dat is nu anders) nooit een "geschiedenis" fan geweest maar heb al sinds jaren vele romannen gedumpd tegen geschiedenis-essays en andere mooie historische verhalen.
Ik lees je met veel plezier ! (Ik neem aan dat S. geen problemen heeft met spreekbeurten !)

9:22 a.m.  
Blogger Luepp said...

Dank je, Sien, het is heel leuk dat je het hebt gelezen. En dat je het interessant vond!

10:13 a.m.  
Blogger Luepp said...

Het citaat van Roosevelt was niet volledig. "I don't go so far as to think that the only good Indians are the dead Indians, but I believe nine out of every ten are, and I shouldn't like to inquire too closely into the case of the tenth. The most vicious cowboy has more moral principle than the average Indian." Source: Speech, January 1886, cited in "Theodore Roosevelt Cyclopedia" (1941) (deze website). Nog een langer citaat tref ik aan in: DODGE CITY, THE COWBOY CAPITAL and THE GREAT SOUTHWEST in The Days of The Wild Indian, the Buffalo, the Cowboy, Dance Halls, Gambling Halls, and Bad Men" BY ROBERT M. WRIGHT, Plainsman, Explorer, Scout, Pioneer, Trader and Settler (1913, 2nd. Edition) : "I suppose I should be ashamed to say that I take the western view of the Indian. I don't go so far as to think that the only good Indian is the dead Indian, but I believe nine out of every ten are, and I shouldn't like to inquire too closely into the case of the tenth. The most vicious cowboy has more moral principle than the average Indian. Take three hundred low families of New York and New Jersey, support them, for fifty years, in vicious idleness, and you will have some idea of what the Indians are. Reckless, revengeful, fiendishly cruel, they rob and murder, not the 'cowboys who can take care of themselves, but the defenseless, lone settlers of the plains. As for the soldiers, an Indian chief once asked Sheridan for a cannon. 'What! do you want to kill my soldiers with it?' asked the general. 'No,' replied the chief, 'Want to kill cowboy; kill soldier with a club" (hier online).

1:48 p.m.  
Blogger Sien said...

Hij is niet de enige US president die waanzin uitkraamde...

4:11 p.m.  
Blogger TwigtSenior said...

Ten Kate was een mensch inderdaad.

Overigens lijken die jongetjes die een etnische makeover hebben gekregen veel op Will Sampson. Dat is die grote 'indiaan' (niet pc i know) uit One Flew Over the Cuckoo's Nest uit 1975. Het american indian film institute heeft hem onlangs (2005) geeerd. zie hier.

2:21 p.m.  

Een reactie plaatsen

<< Home